Persoon 1: Ik heb een dwergje in mijn hand, hij kan heel goed dansen, kijk maar Hij kan het ook met 1 schoentje, kan jij het schoentje even vasthouden? Persoon 2: Ja Persoon 1: geloof jij in dwergen? Persoon 2: Nee Persoon 1: Waarom hou je zijn schoentje dan vast?